Naar hoofdinhoud

Hoe denken veehouders over kruidenrijk grasland?

Hoe denken veehouders over kruidenrijk grasland?

 In de Nederlandse landbouw is de belangstelling voor kruidenrijk grasland enorm gegroeid. Het kruidenrijker maken van graslanden biedt kansen voor biodiversiteit. Onderzoekers Judith Westerink, Jan Hassink, Conny Bufe en Wim Ozinga spraken met boeren in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden over de kansen en risico’s die zij zien en over wat zij nodig hebben om hun grasland kruidenrijker te maken.Deel deze pagina

In de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden wordt in het kader van de Groene Cirkel Kaas en Bodemdaling met steun van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderzoek gedaan naar kruidenrijke graslanden op veen. Dat moet leiden tot meer inzicht in hoe kruidenrijkdom op veen kan worden bereikt. Veengronden lijken de lastigste bodems voor het omvormen van soortenarme naar kruidenrijke graslanden. Graslandvernieuwing is niet gewenst omdat daarmee vertering van het veen (en dus bodemdaling) wordt versneld, en proeven met doorzaaien van kruidenrijke zaadmengsels in bestaand grasland zijn nog weinig succesvol. Gezaaide soorten hebben namelijk moeite om zich te handhaven als er niet ook minder wordt bemest. Verschraling door het maaien en afvoeren van het gras is een zaak van lange adem. Bovendien kan in het veenweidegebied vanwege het weidevogelbeheer dikwijls minder vaak worden gemaaid dan voor verschraling nodig is: in het weidevogelseizoen kan namelijk niet worden gemaaid. Als het eenmaal kruidenrijk geworden is, maken weidevogels er wel graag gebruik van.

Voor meer kruidenrijke graslanden is het nodig dat boeren kruidenrijk grasland zien als een wenselijke en mogelijke optie voor hun bedrijf. De onderzoekers organiseerden op 19 oktober een workshop met twintig boeren (in kleine groepjes met voldoende afstand), om meer inzicht te krijgen in kansen en risico’s die boeren zien. De groep was divers: van gangbaar tot biologisch-dynamisch, van verbreed tot gespecialiseerd, van veel ervaring met kruidenrijk grasland tot geen plannen voor kruidenrijk grasland. Daardoor hebben de onderzoekers zicht gekregen op een breed scala aan kansen en risico’s die boeren zien, en op thema’s waarop de meningen uiteenlopen.

Gemotiveerde boeren

De meeste boeren zijn gemotiveerd voor kruidenrijk grasland omdat het hen arbeidsplezier geeft. Het geeft voldoening om bij te dragen aan een mooi landschap met biodiversiteit. Veel boeren genieten ook van de weidevogels en zetten zich in om hun populatie te vergroten. Het is voor de boeren leuk om met natuur te werken en om soorten te leren herkennen. Ze genieten van hun vak: met dieren en natuur werken en daar je inkomen uit verdienen. Ook houden ze van de vrijheid van het eigen baas zijn. Kruidenrijk grasland moet echter wel bij je passen, geven de boeren aan, en dat is niet voor iedereen zo. Predatie van vogels door roofdieren is voor de boeren zeer demotiverend in het weidevogelbeheer.

Steun van de omgeving

De meeste deelnemende boeren voelen zich gesteund door hun omgeving bij het ontwikkelen van kruidenrijk grasland. Burgers waarderen het en geven complimenten. De maatschappelijke vraag richting natuurinclusieve landbouw wordt als steuntje in de rug gezien, evenals duurzaamheidsprogramma’s zoals ‘Beter voor Koe, Natuur en Boer’ van Royal Aware/Albert Heijn en ‘Foqus Planet’ van FrieslandCampina. De boeren maken zich geen zorgen over de mening van de collega’s: kruidenrijk grasland wordt in dit gebied niet beoordeeld als een uiting van slecht vakmanschap. Weidevogelbeheer is juist heel gewoon.

Kruidenrijk grasland in de bedrijfsvoering

De veehouders zien allerlei kansen voor hun bedrijfsvoering. Kruidenrijk grasland geeft diversiteit in het bedrijf. Met verschillende soorten gras kan een boer sturen. In een volledig grasrantsoen helpt structuurrijk, kruidenrijk hooi de diergezondheid op peil te houden in combinatie met eiwitrijk grasklaver. Kruidenrijk hooi kunnen boeren vaak goed verkopen aan paardenhouders: een van de veehouders verkoopt ‘medicinaal hooi’. Structuurrijk voer is vaak geschikt voor jongvee en droge koeien.

De strategieën van de boeren verschillen: waar de een erop gebrand is om te laten zien dat hoge productie goed kan samengaan met biodiversiteit, ziet de ander meer in een extensief bedrijfssysteem met een lagekostenmodel. Voor boeren die gaan voor een hoge melkproductie is de kwaliteit van kruidenrijk gras niet goed genoeg om aan het melkvee te voeren. Voor boeren met een extensievere bedrijfsvoering en een minder hoog productief en robuuster ras koeien is dit minder een probleem. In droge zomers hebben kruidenrijke percelen in de ervaring van sommigen juist een betere opbrengst dan gras. Tien procent uitgestelde maaidatum of kruidenrijk is voor veel boeren goed in te passen. Dat heeft niet alleen te maken met de voerkwaliteit, maar ook met de mest die boeren beschikbaar hebben. Drijfmest kan niet naar kruidenrijke percelen: die moet naar de meer intensieve percelen.

Brengt goed bodembeheer opbrengst en biodiversiteit bij elkaar?

Veel boeren benadrukken de samenhang in het bedrijf: verschillende percelen hebben een andere behandeling nodig. Het begint bij de bodem: wat op een perceel kan, hangt daarvan af. Niet scheuren en vaste mest zijn goed voor de organische stof in de bodem. Sommige boeren geven aan dat een jaarlijkse gift van vaste mest een te sterke verschraling kan voorkomen. Dat stimuleert het bodemleven en houdt de productiviteit nog enigszins op peil. Percelen met een latere maaidatum en gebruik van vaste stalmest hebben bovendien minder last van droogte. Een biologische boer merkt op dat de opbrengst ondanks de verschraling nog aardig op peil blijft en verklaart dat door een actiever bodemleven.

Kostenafweging

Boeren benoemen dat motivatie het belangrijkste is om kruidenrijk grasland te willen ontwikkelen, maar dat ze ook een kostenafweging maken. Als een boer ruim in zijn land zit, past kruidenrijk grasland goed, en sommige grond leent zich ervoor. Maar grond is duur en schaars, dus goede landbouwgrond offert een boer niet graag op. Bovendien wordt de hoeveelheid voer minder en de kwaliteit onzeker. Intussen heeft hij er wel werk aan, en als hij niet ruim in het land zit, moet hij voer bijkopen. Het rekensommetje moet onderaan de streep wel kloppen.

Inzaaien of verschralen

De veehouders maken onderscheid tussen productieve kruidenrijke graslanden die zijn ingezaaid met een beperkt aantal soorten die oorspronkelijk niet uit het gebied komen, en kruidenrijkdom die het gevolg is van een lange periode met weinig mest. Met het laatste worden gebiedseigen soorten bevorderd, maar volgens een deel van de boeren is dit gras minder geschikt als veevoer, waardoor deze kruidenrijke graslanden niet haalbaar zijn op alle grond binnen het bedrijf.

Men wil graag meer weten van in- en doorzaaien. De ervaring is dat inzaaien snel resultaat geeft en gunstig kan zijn voor de opbrengst, vooral als er klavers in zitten. Het biedt de mogelijkheid om te sturen op soorten die gunstig zijn voor de melkgift en/ of de diergezondheid. Het gaat de boeren immers om een goede combinatie van melkproductie, diergezondheid en biodiversiteit. Een combinatie van productief, ingezaaid kruidenrijk grasland met laat maaien bevalt niet goed: het gras wordt dan te zwaar.

Toch is er vrij veel overeenstemming dat voor de ontwikkeling van kruidenrijk grasland op veen in- of doorzaaien weinig zin heeft. De beschikbare zaadmengsels zijn niet toegesneden op veenbodems en de ingezaaide kruiden houden het niet lang vol. Met verschraling bereik je meer, geven de boeren aan, maar dat duurt een jaar of tien. En het gaat niet alleen om het perceel, maar ook om de slootkanten.

Sommige soorten zijn gewenst en andere niet

Kruidenrijk grasland houdt voor veehouders in dat er een diversiteit aan planten is: kruiden, grassen en bloemen. Maar het maakt voor de boeren zeker wel uit welke planten er groeien: goed kruidenrijk grasland heeft ook waarde als veevoer. Koeien en schapen houden van bloemen in het hooi en dat is gunstig voor de gezondheid van de dieren. De veehouders noemen smalbladige weegbree, karwei, cichorei, brandnetel en paardenbloem als gezonde soorten. Ook hondsdraf, boterbloem en pinksterbloem zijn bij sommigen welkom. Planten als lisdodde, pitrus, koolzaad en koekoeksbloem hebben minder waarde in het voer. Distels en ridderzuring verdringen de ‘goede’ soorten en bedreigen de opbrengst. Ook zijn er planten die volgens de boeren ronduit giftig zijn voor het vee, zoals jakobskruiskruid, kruipende boterbloem, heermoes en lidrus. Klaver is goed voor de melkproductie, maar van teveel klaver in het rantsoen krijgen de koeien pensverzuring. Verschillende boeren benoemen ook de waarde van bepaalde planten voor insecten. De boeren die meer soorten kennen, benoemen meer soorten die welkom zijn. Het lijkt erop dat hier het spreekwoord geldt: onbekend maakt onbemind.

Gaan kruidenrijk en weidevogels samen?

Veel van de boeren doen aan weidevogelbeheer. Boeren vragen zich af of kruidenrijk grasland goed is voor weidevogels en of weidevogelgrasland hetzelfde is als kruidenrijk grasland. Laat maaien, wat nodig is voor de weidevogels, staat verschraling in de weg, en grasland met uitgestelde maaidatum is lang niet altijd soortenrijk is de ervaring. Volgens sommige boeren is voor weidevogelbeheer een mozaïek nodig van productievere percelen, waar de nesten zijn, plasdras, voor voedsel voor de oudervogels, en kruidenrijke percelen met een open structuur waar de kuikens hun voedsel kunnen vinden. Voor die open structuur is verschraling nodig.

Beloningssystemen

Boeren geven aan dat er met een goede vergoeding voor hen een verdienmodel is. De boeren zijn vooral tevreden over de combinatie van subsidie voor agrarisch natuurbeheer en de beloning vanuit de keten, bijvoorbeeld in de vorm van PlanetProof. Die gaat er echter wel erg gemakkelijk van uit dat permanent grasland kruidenrijk is. Een zorgpunt is dat voor verschralen vaak meerdere jaren nodig zijn en dat daar de vergoedingen vanuit het agrarisch natuur- en landschapsbeheer niet goed op zijn ingericht. Volgens de boeren is juist voor overgangsbeheer iets nodig.

CO2-vastlegging wordt door sommige boeren ook gezien als een kans voor beloning, maar de CO2-vastlegging in kruidenrijk grasland en het tegengaan van bodemdaling worden nog onvoldoende meegenomen in de beloningssystemen. Nu wordt alleen een lage CO2-uitstoot per kilogram melk beloond, maar dat werkt in het nadeel van extensieve bedrijven met veel kruidenrijk grasland en weidevogelbeheer.

De boeren zien kansen in het verhaal vertellen aan burgers. Waardering vertaalt zich echter nog niet altijd in een verdienmodel bij de boeren. Waar de een kansen ziet in het zelf in de markt zetten van producten, benadrukt de ander dat het aantal consumenten dat meer wil betalen, klein is. Vooralsnog hebben voor het gevoel van de boeren de melkfabrieken meer macht dan de consument.

Langetermijnbeleid

De boeren voelen zich gesteund door het Collectief Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. Ze verwachten een hoger budget voor het collectief en een betere beloning in de toekomst. Maar aan de andere kant vragen ze zich af of er in de toekomst nog wel geld is voor het belonen van kruidenrijk grasland. Zij zien een risico in veranderend overheidsbeleid dat teveel op de korte termijn is gericht. Sommigen maken zich zorgen dat kruidenrijk grasland nu als een plus wordt gezien en in de toekomst de norm wordt, waardoor ook het verdienmodel verdwijnt. Daarom willen ze niet al te afhankelijk worden van subsidies. Maar de markt is voor hen ook onzeker.

De boeren geven aan dat ze geholpen zouden zijn met langetermijnbeleid van de keten en de overheid. Dat zou gecombineerd moeten worden met flexibiliteit voor de ondernemer, hoewel ze ook wel zien dat daar een spanningsveld bestaat. Beloningen voor diensten aan de maatschappij worden op prijs gesteld, zoals CO2-vastlegging, het niet scheuren van grasland, hoger waterpeil en kruidenrijkdom. Daarin moet keuzevrijheid voor de ondernemer worden ingebouwd. Het vakmanschap van de boer kan beter worden benut. Het gaat hen overigens niet alleen om beloning in de vorm van geld: ook land ‘om wat te kunnen’ wordt genoemd als mogelijke stimulans.

Behoefte aan kennis

De boeren zijn op zoek naar meer kennis en willen meer uitwisseling met collega’s. Ze willen vooral kennis die ze kunnen toepassen in hun eigen bedrijf. Kennis van soorten, de gezondheidseffecten voor het vee, en van het beheer. Bijvoorbeeld in een praktisch plantenboekje of in filmpjes. Niet alleen voor boeren, maar ook voor loonwerkers. De boeren zouden willen dat er meer wordt gemeten. Bijvoorbeeld hoeveel CO2 er wordt opgeslagen in oud grasland. De vraag naar meer kennis gaat om uitwisseling van ervaringen tussen boeren, advies op maat, het ontsluiten van oude kennis, en toegang tot wetenschappelijke kennis. De boeren stellen meer gesprek, openheid en samenwerking met onderzoekers op prijs, zowel om van hen te kunnen leren als ook zodat onderzoek van boerenkennis gebruik kan maken, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van modellen. Ook het collectief wordt gewaardeerd vanwege de daar aanwezige kennis.

De rol van boeren in de transitie

De boeren kijken ook naar zichzelf. Ze weten dat verandering nodig is voor een toekomstbestendige landbouw. Ze moeten daarover met elkaar en de maatschappij in gesprek, zodat ze daar goed op kunnen inspelen. En ze moeten meer van zichzelf laten horen, door bijvoorbeeld uit te leggen in de krant wat nodig is voor goed weidevogelbeheer. Het collectief heeft veel data waarmee boeren het verhaal kunnen vertellen. Ze moeten het met elkaar doen.

Meer informatie

Tekst: Judith Westerink, Wageningen Environmental Research en Jan Hassink, Wageningen Plant Research
Foto: Bendiks Westerink

Lees meer

Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

  • Velden met een * zijn verplicht.